Repliek actieplan bouwkundig erfgoed

Actieplan bouwkundig erfgoed, een middel of een excuus?

Vorige week stelde schepen Bart Bronders zijn erfgoedplan voor. We zijn opgetogen dat erfgoedbeleid op de persvoorstelling benoemd wordt als een hefboom voor de leefbaarheid van de stad. Hiervoor streven wij al jaren voor, samen met heel wat Oostendenaren.

Met onze sensibiliseringsacties hebben we duidelijk gemaakt dat het anders kan en moet, en dat goed en duidelijk erfgoedbeleid zeer dringend werd. Het erfgoedplan werd steeds opnieuw beloofd en aangekondigd, terwijl aan de lopende band de erfgoedpanden bleven sneuvelen. We hopen in elk geval dat het lange wachten en de vele acties niet tevergeefs waren. Het invoeren van een erfgoedbeleid is een stap in de goede richting. Op het congres vorig jaar stonden de neuzen van alle betrokken partijen richting een beter erfgoedbeleid, en werd duidelijk de meerwaarde van erfgoed voor een stad aangetoond. Het was sindsdien enkel nog bang afwachten of de neus van de beleidsmensen ook diezelfde richting uitwees.

Voorlopig zijn we nog wat terughoudend, en zullen we rustig en afwachtend kijken hoe de plannen zullen gerealiseerd worden. Want uit de nu al vier jaren durende gesprekken met de Burgemeester, Johan Vande Lanotte en de schepen van Monumentenzorg hebben wij geleerd dat veel beloven en weinig geven enkel de zotten in vreugde doet leven.

Wij kijken uit naar de omzetting van plannen in daden. Daarvoor spreekt de realiteit van de laatste twee legislaturen boekdelen. Ons bouwkundig erfgoed gaat in een razendsnel tempo tegen de vlakte, ook tijdens de periode waarin de Erfgoedcommissie werd opgericht en zogenoemd reeds actief was. Voorbeelden zijn legio met straten zoals de Koninginnelaan waar de voorbije jaren meer dan 60% van onze nog bestaande erfgoedpanden werd gesloopt… of de Van Iseghemlaan waar de score het hoogst ligt met meer dan 80% van de huizen opgenomen in de Vlaamse Inventaris voor Onroerend Erfgoed (VIOE).

Realistische voorzichtigheid is op zijn plaats, want er zijn nog veel vragen waarop hopelijk snel antwoord komt!

  1. Wat is de juridische afdwingbaardheid van de commissie als adviesorgaan?
  2. Hoe onafhankelijk gebeuren adviezen, hoe transparant zullen beslissingen bekend worden gemaakt en hoe afhankelijk gebeuren deze beslissingen in een commissie waarvoor steevast het AGSO de woordvoerder blijkt te zijn?
  3. Hoe zal men omgaan met bewuste verkrottingstrategie van eigenaars? Vele eigenaars laten tot op heden hun huizen verkrotten, een verkrottingsproces dat ze laten versnellen door ramen en deuren te openen en dakgoten naar binnen afleiden zodat alle regenwater doorheen het huis loopt? Zijn er alsnog geen achterpoortjes om op het einde van de rit een sloopvergunning te bekomen met als argument dat het huis te verkrot is?
  4. Zullen de Stad Oostende en de Oostendse Huisvestingsmaatschappijen ook effectief het voorbeeld van degelijk erfgoedbeleid stellen door een goede omgang met de panden in eigen bezit?
  5. Wat waren de criteria voor de lijst met erfgoedpanden die nu werd vrijgegeven, en wat met de panden die niet op de lijst voorkomen ?
    Wij zijn nu vragende partij naar een stevig beleid teneinde de opgelopen achterstand met andere steden en gemeenten weg te werken. Woorden zijn OK, maar nu willen we vooral daden… en liever vandaag dan morgen, want de uitdaging is groot: het is al meer dan vijf voor twaalf voor het ons resterende erfgoed!

Het erfgoedplan A.be meer in detail

Om het nieuw actieplan beter te begrijpen, grijpen we terug naar de perstekst van onze schepen voor Monumentenzorg. We citeren schepen Bart Bronders.

Bart Bronders schetst eerst het kader van het Actieplan Bouwkundig Erfgoed A.be: “De stadsvernieuwing in Oostende gaat het laatste decennium plots zeer snel, de strijd tegen de verkrotting zijn we aan het winnen. In onze stad zorgen publieke, private en publiek-private stadsprojecten voor opmerkelijke stedelijke transformaties. Deze zijn vaak structureel en beeldbepalend. Op basis van deze ervaring en vanuit de vaststelling dat bij de aanvang van de 21ste eeuw niet alle nieuwbouwprojecten in de stad een steentje bijdragen aan de culturele duurzaamheid en aan de leefbaarheid in de stad, werd bewust gekozen om een meer actief bouwkundig erfgoedbeleid te voeren.

Dement Oostende vindt dat de strijd tegen verkrotting zeker niet aan de winnende hand is, en hierin moet het stadsbestuur duidelijk zijn verantwoordelijkheid nemen. Het grote aantal verkrotte leegstaande erfgoedpanden neemt niet af. Verder vragen wij ons af er of in de voorbije jaren al één enkel nieuwbouwproject in de stad is geweest dat een steentje heeft bijgedragen aan de culturele duurzaamheid en leefbaarheid in de stad…

De schepen vervolgt zijn betoog : “Een eerste aanzet vanuit het stadsbestuur werd gegeven in 2001-2006, waarbij met medewerking/vraag van het stadsbestuur, niet minder dan 228 monumenten en panden in Oostende als monument werden beschermd, waardoor het totaal op 276 werd gebracht. Vele van de in deze periode beschermde monumenten konden van afbraak worden gered doordat deze panden vanaf 2001 werden opgenomen in het zogenaamde ‘Villaplan’, dat een uitdrukkelijk verbod tot afbraak inhield van deze panden. Het villaplan van 2001 was een tijdelijke stedenbouwkundige maatregel en geen erfgoedkundige maatregel. De stad kon en kan zelf geen gebouwen beschermen als monumenten. Vandaar dat tot een ‘Actieplan bouwkundig erfgoed’ werd beslist. Aan de Vlaamse Bouwmeester, Prof. Dr. Marcel Smets, werd gevraagd het hiervoor noodzakelijk onderzoek te begeleiden.

Nu, iedereen weet dat de beschermingsgolf van 2005 er kwam ondanks en NIET dankzij het stadsbestuur (met referentie tot de persknipsels in het Nieuwsblad destijds). De beschermingen kwamen er door het thematische beschermingsbeleid van de toenmalige ministers Sauwens en Van Grimbergen. Het is niet de eerste maal dat het stadsbestuur met deze eer gaan lopen. Alhoewel het ‘Villaplan’ nooit een uitdrukkelijk verbod op afbraak hebben ingehouden, was het toch een eerste voorzichtige en beperkte stap richting erfgoedbeleid. Maar het ‘Villaplan’ kon niet op tegen de sloopwoede en de speculatiedrift van de bouwpromotoren. Verder zijn we er van overtuigd dat de stad wettelijk gezien wel gebouwen kon behoeden van de sloop. Dit werd laatst nog bevestigd in een gesprek met Agentschap Ruimtelijke Ordening, Cel Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen. Het erfgoedbeleid in andere steden (en niet alleen Brugge) bevestigt dit ook.

Bart Bronders: “Om een kaalslag van eventueel aan te wijzen erfgoed te verwijzen, werd de ‘Commissie Bouwkundige Erfgoed’ opgericht, dat tot nu toe het college van burgemeester en schepen heeft geadviseerd over elke sloop- of verbouwingsaanvraag van een mogelijks aan te wijzen pand. Het onderzoek werd afgerond. Het was het voorwerp van een druk bijgewoond congres te Oostende gehouden op 24 oktober 2008. Het werd naderhand nog verfijnd en verder uitgewerkt, waarbij werd rekening gehouden met de ervaringen van de ‘Commissie Bouwkundig Erfgoed’“.

Heeft het stadsbestuur eigenlijk wel met iets rekening gehouden de laatste jaren?
Of hoe grondig gebeurden sommige beslissingen van de “prille commissie” want verscheidene beslissingen lijken ons onverklaarbaar en subjectief, en gingen in tegen eerdere adviezen Cel Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen. Met gevolg dat de kaalslag onverminderd verder ging.

Schepen Bart Bronder besluit : “Met dit besluit wordt opnieuw een stap verder gezet in het onroerend erfgoedbeleid van de Stad Oostende. Het stadsbestuur heeft al dikwijls in de praktijk aangetoond dat een onroerend erfgoedzorg niet strijdig moet zijn met stadsvernieuwing. Denk hierbij aan de restauratie van het casino-kursaal, de heraanleg van straten en plein waarbij dikwijls vroegere misplaatste ingrepen in het openbaar domein opnieuw werden rechtgezet en met welbedoelde accenten heeft verwezen naar het ‘vroegere’ Oostende (denk aan het herplaatsen aan de ‘Jugendstill zitbank’ voor de Koninklijke Stallingen), de vernieuwing van het Hazegraswijk waar door pleinvorming de vroegere woonkwaliteit van de wijk werd herwonnen. De thans aan de gang zijnde restauratie en herbestemming van het voormalige postgebouw en zelfs de in prille fase van uitvoering van het stationsomgevingproject waarbij de De Smet de Nayerbrug zijn waardigheid opnieuw kan krijgen, bevestigen deze inspanningen. Het PPS-project ‘Militair Hospitaal’ werd overal in Vlaanderen genoemd, als schoolvoorbeeld hoe met respect voor het historisch karakter van de site, een nieuwe, in casu, woonbestemming kan worden gerealiseerd. Ook dit is erfgoedbeleid.

Terug een aantal uitspraken die de waarheid zeker geen eer aandoen. In 1997 maakte het stadsbestuur zich al klaar voor de afbraak van het kursaal. Het nieuwe gebouw zou een combinatie worden van appartementen, een speelzaal en evenementenzaal. Aan de zijde van Petit Nice zou een nieuwbouw met tien bouwlagen flats gebouwd worden. Echter beschermde Vlaams minister van cultuur Luc Martens het casino. Het stadsbestuur, met aan hoofd de kersverse burgemeester Jean Vandecasteele, stond machteloos en stadsadvocaat Bart Bronders kreeg de opdracht de bescherming aan te vechten. Uiteindelijk legde het stadsbestuur zich neer bij de bescherming, en gebruikte ze de renovatie als prestige project voor hun eigen blazoen.

Verder verklaart de schepen dat het stadsbestuur al dikwijls in de praktijk heeft aangetoond dat een onroerend erfgoedzorg niet strijdig moet zijn met stadsvernieuwing. Nu, het woord “dikwijls” zouden we nu niet direct durven gebruiken in die context. De volledige kaalslag in de Hazegraswijk is niet een voorbeeld van een goed erfgoedbeleid, maar eerder van het vernieuwen van de straten. En het terugplaatsen van de Belle Epoque bank in de Koninginnelaan is inderdaad lovenswaardig, maar was ook in functie van de vernieuwing van de laan. Verder hebben wij slechts weet van het verplicht en summier onderhoud van enkele beschermde monumenten in stadsbezit, en het PPS-project “Militair Hospitaal” die inderdaad een mooie herbestemmingsproject is.
En “de Smet De Naeyerbrug eer aandoen”? De enige manier om de “Tettenbrug” in ere te herstellen is om er opnieuw een “Poort van Oostende” van te maken. Geen grasperkje in een plasje. Laat er fietsers op rijden, en de tram via de juiste weg, en wandelaars die een koffie gaan drinken in Hangar n° 1 (nog een ander beschermd maar volledig verwaarloosd pand in eigendom van het stad).

Onverstoorbaar vervolgt de schepen: “Het lag moeilijker met louter private ontwikkelingen, waar de stand van de wetgeving, weinig ruimte laat voor een ingrijpend en afdwingbaar lokaal onroerend erfgoedbeleid. Niettegenstaande dit euvel, werd in Oostende vanaf 2001 in Oostende naar mogelijkheden gezocht om dit beleid een plaats te geven. Het ‘Villaplan’ hoe onvolledig ook, was een van de eerste lokale initiatieven in Vlaanderen voor een lokaal erfgoedbeleid. Het maakte komaf met de informele lijsten van te beschermen panden, waardoor veel rechtsonzekerheid werd geschapen en speculatie in de hand werd gewerkt. Geflankeerd door aanvullende stedenbouwkundige beleidsopties (zoals het tegengaan van appartementsbouw in de typische woonwijken), kan zonder meer worden gezegd dat de ‘Villaplannen’ hebben gewerkt. De opname van de panden op de ‘Villaplannen’ hebben in vele gevallen ervoor gezorgd dat tal van deze panden later konden worden beschermd als monument.
Met het Actieplan bouwkundig erfgoed neemt Oostende weer voorsprong van het peloton van steden en gemeenten waar men een actief erfgoedbeleid voert. ‘Met dit actieplan levert de Stad baanbrekend, vernieuwend en uniek werk’, zoals de Vlaams Bouwmeester verklaarde naar aanleiding van de publieke voorstelling van de studieresultaten.
Voortaan wordt aan eigenaar van bouwkundige erfgoed niet enkel en niet zozeer duidelijkheid verschaft over het behoud of het voorwaardelijk slopen maar, tegelijkertijd zijn bewustwording gevoed dat de kwaliteit van renovatie of (ver)nieuwbouw wordt bepaald door zijn houding en deze van zijn architect ten aanzien van de visie van de stad.

Zoals we eerder verklaarden: woorden zijn OK, maar nu willen we vooral daden…
In dit artikel doen we inderdaad al uitspraken die mits grondiger onderzoek beter gefundeerd kunnen zijn. Maar we zitten ook met nog veel vragen. En de eigenaars met veel onzekerheden.
Het “Actieplan Bouwkundig Erfgoed” doet geen uitspraak over erfgoed, het geeft geen richtlijn over erfgoedwaarde van een gebouw, en het zet niet de krachtlijnen uit van een gezond en krachtdadig erfgoedbeleid. Er is geen enkel middel in het Actieplan opgenomen dat bewuste verkrotting tegengaat. En anderzijds worden er geen voorzieningen door de Stad geboden om actief te helpen aan de instandhouding.

Ontwerp van raadsbesluit – beleidskader Bouwkundig Erfgoed

Op de gemeenteraad van 27 november 2009 werd het Actieplan Bouwkundige Erfgoed overlopen, en werd ‘het beleidskader Lokaal Bouwkundig Erfgoedbeleid’ vastgelegd. In de studie ‘Behoud door ontwikkeling’ werd een onderzoeksmethodiek ontworpen voor de wijze hoe wordt omgegaan met individuele erfgoedpanden. Daartoe worden twee begrippen ingevoerd: ‘locuswaarde’ en ‘ontwikkelingsprofiel’. Het begrip ‘locuswaarde’ staat voor een ‘bottum-up’ benadering (van perceel naar stad), het begrip ‘ontwikkelingsprofiel’ voor een ‘top-down’ benadering (van stad naar perceel).

 

Locuswaarde

De ‘locuswaarde’ wordt getoetst aan een aantal indicatoren (parameters) en is bepalend voor de houding van het beleid tegenover dit pand. Zij geven de stedenbouwkundige motieven weer waarom een pand moet worden bewaard.
De indicatoren bepalen de ‘locuswaarde’ van het onroerend erfgoed. Een pand kan de stadstructuur ondersteunen, bijvoorbeeld door beeldbepalend te zijn op een plein of een as. Een hoekpand verdient bijzondere aandacht, als kruisende straten uiteenlopend ontwikkeld zijn, geeft het ontwikkelingsprofiel uitsluitsel. Deel uitmaken van een homogeen geheel is een sterk motief voor behoud. Maar ook heterogeniteit kan tot een betekenis vol geheel leiden. Motieven voor behoud kunnen niet enkel in de stadstructuur, maar ook in de onmiddellijke nabijheid worden gevonden. Een groter pand bepaalt zijn omgeving doorgaans meer dan een klein. De ligging van een pand naast een beschermd monument kan een sterk motief zijn voor behoud. Ook de bouwfysische toestand moet tot de indicatoren worden gerekend. Er kan beoordeeld worden of het verval omkeerbaar is, en/of de constructie en de maatvoering zich tot herbruik leent.

Is de ‘locuswaarde’ van een pand hoog, dan moet het gebouw in principe behouden blijven. Elke stedenbouwkundige aanvraag voor het slopen, herbouwen en/of verbouwen van een gebouw dat in de lijst voorkomt met een ‘hoge locuswaarde’ en waarvan de aanvraag een wijziging beoogt van de beeldbepalende elementen en het gabariet van het gebouw, dient te worden voorgelegd aan de ‘Adviescommissie Actieplan Bouwkundig Erfgoed (A.be), die bij het formuleren van haar advies, rekening zal houden met de vastgestelde locusindicatoren. Deze Commissie A.be blijft bestaan.

Is de ‘locuswaarde’ laag dan wordt behoud ter overweging gegeven en slopen of vervangen mag alleen wanneer de nieuwbouw minstens even kwaliteitsvol is. De adviescommissie A.be bewaakt de kwaliteit van de vervangingsbouw. Elke aanvraag tot sloping van een pand met een ‘lage locuswaarde’ wordt onderworpen aan het advies van de Commissie A.be.

De gebruikte “indicatoren” zijn ons nog niet duidelijk. Volgens gewestelijke, nationale en internationale decreten, wetten, gewoonten en verdragen zijn er heel wat elementen om erfgoed te bepalen. Werd bijvoorbeeld rekening gehouden met het monumentendecreet uit 1976 of de Charter van Venetië (het basisdocument van de internationale monumentenzorg), etc.)? Wat met artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarden Wij vrezen dat deze studie slechts uit één invalshoek gebeurde, namelijk de urbanistische. Hoe wordt de bouwfysische toestand bepaald? Gebeurt dit met gespecialiseerde architecten en aannemers?

Deze commissie, met als woordvoerder de voorzitter van het autonoom gemeentebedrijf AGSO, en dus rechtstreeks verbonden aan het stadsbestuur, heeft zelf de spelregels opgesteld waarmee ze moeten werken. Kan dit geen aanleiding tot geven tot beslissingen “à la tête du client”, zijnde het stadsbestuur? Kunnen de diverse indicatoren zo gemanipuleerd worden, dat een uitslag uiteindelijk werd beïnvloed?(-Wat nu volgens bepaalde Oostendse politici al gebeurt bij de Publiek-Private Samenwerkingsprojecten (PPS) van het stad, waarbij het eindresultaat kan gemanipuleerd worden door zogenaamde onafhankelijke commissies, samengesteld via politieke benoemingen.-) Zijn de locuswaarden voor interpretatie vatbaar, en aldus subjectief?

Ontwikkelingsprofiel

Het ‘ontwikkelingsprofiel’ houdt in dat in de stad samenhangende gehelen worden onderscheiden die elk een eigen ontwikkelingsprofiel hebben. Dit profiel koppelt de kenmerkende stedelijke structuur aan een globale karakteristiek van het gebouwd erfgoed. In het beleidskader dat wordt voorgelegd, worden ontwikkelingen voorgesteld die dit profiel versterken, naast andere ontwikkelingskansen die van invloed zijn op het erfgoed. Bij twijfel over de locuswaarde (twijfel over de indicatoren) geeft het ontwikkelingsprofiel de doorslag.
Is dit een alinea om uit te leggen dat de stad of het autonoom gemeentebedrijf AGSO uiteindelijk toch doet wat ze wil?

Over hoeveel panden gaat het nu?

In de perstekst geeft schepen Bronders ons een idee over het aantal onderzochte panden: “Naast de 1641 individuele panden uit de Inventaris Bouwkundig Erfgoed zijn er panden die vernoemd worden zonder individuele fiche en enkele panden die opgemerkt werden tijdens het onderzoek. Alle panden die vroeger opgenomen werden in de Villaplannen (231 panden) werden onderzocht. Derhalve werden er uiteindelijk voor 2774 panden in de Stad onderzoek gedaan op hun ‘locuswaarde’. Aan de 337 monumenten (panden en monumenten) werd geen locuswaarde toegekend. Uiteindelijk werden aan 835 panden een ‘hoge locuswaarde’ toegekend en aan 391 panden een ‘lage locuswaarde’. De andere panden hadden geen locuswaarde, of zijn intussen afgebroken (97).” Een beperkte en summiere lijst voor de bewoners werd vrijgeven op de website van de Stad Oostende. Dement zal deze nog verder bestuderen en we komen hier nog op terug.

Locuswaarde

Dit concept is niet nieuw is, en is zeker geen uitvinding van de commissie en schepen Bronders. Het begrip stamt uit een studie die werd opgemaakt door Prof. Pieter Uyttenhove en zijn Labo S met als thema de “Omgang met Wederopbouwarchitectuur in de Frontstreek”. Dit thema wordt in de aanloop naar de herdenkingen van 1914-1918 terug ter bespreking gelegd, omdat het steeds controversieel is geweest. Na de eerste wereldoorlog werden de verwoeste gewesten en steden ‘mooier’ gemaakt dan ze waren geweest. Maar vanuit ‘historisch’ inzicht was de heropbouwarchitectuur eigenlijk niet authentiek. De studie moest hier een antwoord op geven.

De drie criteria uit de oorspronkelijke studie waren:

  • gebruikswaarde (mate waarin een gebouw kan voldoen aan actuele gebruikerseisen)
  • culturele waarde (de ‘kunst’ waarde, al dan niet (reeds) door historische waarde vermeerderd)
  • locuswaarde (de waarde van het pand binnen een groter geheel) Voor een bepaald pand werd voor elk van voorgaande criteria een waarde toegekend, die de beoordeling ervan moest ondersteunen. Het is dus een hulpmiddel om o.a. over de wenselijkheid tot behoud te oordelen.

In het “Oostendse model” werden de criteria “gebruikswaarde” en “culturele waarde” overboord gegooid, en worden slechts twee criteria gehanteerd: de locuswaarde (min of meer de waarde zoals in de voorgaand studie gehanteerd: de plaats van het pand binnen een geheel is bepalend) en het ontwikkelingsprofiel (de mate waarin het pand de realisatie van andere projecten, lees AGSO en haar partners, niet in de weg staat). Merk op dat van “erfgoedwaarde” eigenlijk geen sprake is, de “culturele” factor is verdwenen en maakt in het beste geval een onderdeel uit van de ‘Oostendse locuswaarde’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *